Trouw (9 September 2006)
Het loont nog wel eens de moeite flink in de archieven te spitten. In de schaduw van de grote meesters bevindt zich bijvoorbeeld iemand als Anton Eberl. Deze Eberl was Wener van geboorte en daar actief in het tijdvak zo tussen Mozart en Beethoven, totdat geldzorgen hem naar Sint-Petersburg dreven waar het exuberante tsarenhof rond Catharina nog wel een excellent pianist kon gebruiken. In 1807 schreef Eberl zijn Grand Quintet. Van de klarinet moet hij net zoveel gehouden hebben als Mozart, want hij schuift dit instrument telkens de hoofdrol toe in een bezetting met pianoforte, cello en twee altviolen. Klarinettiste Nicole van Bruggen legt een summum aan speelsheid en luchtigheid in haar soevereine spel. Ook cello en pianoforte komen trouwens solistisch aan bod: harpachtige arpeggio's dwarrelen licht, frivool en natuurlijk op uit de handen van pianiste Anneke Veenhoff en Bas van Hengel zorgt met zijn zoele cellotoon voor een licht geaccidenteerd dynamisch verloop. Voor de vergeten Eberl breken de musici - op authentieke instrumenten - terecht een lans. De twee sonates zonder altviolen winnen het overigens van het kwintet: net iets eerlijker, spontaner, minder gekunsteld en wat directer en compacter in het voortreffelijke samenspel.
Kees Arntzen