www.klassiekezaken.nl (April 2008)
Dankzij Bach is de viola da gamba nooit
helemaal vergeten. Dit celloachtige instrument met zes snaren, dat begin 17e
eeuw in Engeland en later in Frankrijk en Duitsland zijn hoogtijdagen vierde,
werd ten tijde van Bach als verouderd beschouwd. Echter niet door de Thomascantor,
die gedurende zijn hele leven repertoire bleef componeren voor deze 'beenviool'
met de melancolische klank. De aria's met gambasolo 'Komm süsses Kreuz'
en 'Es is vollbracht' (uit respectievelijk de Matthäus en de Johannes Passion)
zijn de beroemdste voorbeelden, daarnaast schreef hij ook kamermuziek voor het
instrument.
Van de drie Sonates voor viola da gamba (BWV 1027-1029) zijn de originele manuscripten
helaas verloren gegaan en is de datering niet met zekerheid vast te stellen.
Van deze composities circuleren vele kopieën uit latere tijden en bestaan
er even zovele varianten ten aanzien van de instrumentatie. Zo is het moeilijk
om een definitieve, door Bach bedoelde versie vast te stellen.
Mieneke van der Velden, die het vak leerde van gambagrootheden als Wieland Kuijken
en Jaap ter Linden, kiest let haar ensemble overwegend voor eigen bewerkingen
en transcripties van deze werken, zonder de harmonieën en het idioom van
Bach aan te tasten. En daarin is zij wonderwel geslaagd.
Het is voornamelijk de instrumentatie die in het oog springt. Zoals in de Sonate
in G (BWV 1027): de obligate klavecimbelpartij is bewerkt voor soloviool en
basso continuo, terwijl het gambagedeelte onaangetast is gebleven. Ondanks het
uiteenlopende timbre, kleurt van der Veldens gamba schitterend met de viool
van collega François Fernandez (beiden spelen op originele instrumenten
uit de 17de eeuw) en niemand krijgt daarbij het gevoel dat de grote meester
gewelt wordt aangedaan.
Voor de Triosonate in G (BWV 1038), waarmee de schijf opent, ligt dit nog een
stukje gecompliceerder. De baspartij van deze compositie ontstond in de periode
1732-1735 en komt overeen met die van twee andere Bachwerken, terwijl zoon Carl
Philipp Emanuel hier nog eens een fluit- en een vioolpartij aan toevoegde. Voor
deze gelegenheid is dit vierdelige werk succesvol bewerkt voor viool, viola
da gamba en basso continuo.
Tussen de sonates door klinken respectievelijk de virtuoze Sinfonia uit cantate
76, waarbij de oorspronkelijke hobo d'amore is vervangen door orgel (dit stuk
is later door Bach weer gebruikt als het openingsdeel van de vierde Triosonate
voor orgel), een Fantasia met twee thema's (BWV 917) en de derde Sinfonia (BWV
789). Hier verdienen klavecinist Siebe Henstra en organist Leo van Doeselaar
een compliment voor hun stijvolle en subtiele spel.
Opnieuw een bewijs hoe onuitputtelijk de rijkdom van Bachs muziek is, balsem
voor de ziel als zij uitgevoerd wordt door topmusici als Mieneke van der Velden.
Frans Jansen